RailCom (NMRA S-9.3.2) laat decoders hun adres terugsturen naar de centrale. Met een lokale detector weet je in welk blok elke loc zich bevindt — zonder extra bedrading.
DCC is van nature eenrichtingsverkeer: de centrale stuurt rijcommando's en de decoder voert ze uit, maar er gaat geen informatie terug naar de centrale. RailCom verandert dat. Via de officiële NMRA-standaard S-9.3.2 — voluit "Bi-Directional Communication in DCC", ontwikkeld door Lenz en als open standaard aan de NMRA aangeboden — kunnen decoders data terugsturen over dezelfde rails waarop ze rijden.
Het praktische voordeel: de centrale, of een detector per blok, kan zien welk locadres zich in welk blok bevindt. Dat is een fundamenteel verschil met gewone stroomdetectie, die alleen aanwezigheid meldt ("er zit iets in blok 3") maar geen identiteit. RailCom voegt de identiteitsvraag toe: "welke loc?" Meer over stroomdetectie en bezetmelding zonder RailCom vind je in de gids terugmelding en bezetmelding.
Dezelfde rails die de rijstroom en DCC-pakketten voeren, moeten ook het terugpad dragen. RailCom lost dat op via een korte onderbreking. Na elk DCC-pakket onderbreekt de centrale het signaal heel kort — maximaal circa 500 µs. Die onderbreking heet de cutout of gap. Tijdens de cutout daalt de railspanning naar nul; de decoder neemt die stilte waar en stuurt in diezelfde vensters zijn data terug via de railgeleiders.
Rijden wordt door de cutout niet merkbaar verstoord: 500 µs is te kort voor de motor om te reageren en de pauze valt ruimschoots binnen de normale DCC-pakketcyclus. De voorwaarde is echter duidelijk: alleen de centrale kan de cutout genereren. Als de centrale geen cutout maakt — ook al heeft de decoder RailCom ingebouwd — kan er niets teruggestuurd worden. De cutout is de sleutel tot het hele systeem.
Binnen de RailCom-communicatie zijn twee kanalen gedefinieerd, elk met een eigen doel:
Kanaal 1 — ongesolliciteerde broadcast
De decoder stuurt zijn actieve adres automatisch terug bij elke cutout, zonder dat de centrale erom vraagt. Dit kan het basisadres (kort, 1–127), het lange adres of het consist-adres zijn. Kanaal 1 wordt gelezen door de lokale detector in het betreffende blok. Zodra een loc een blok binnenrijdt, registreert de lokale detector welk adres er is — dit is de basis van blok-gebaseerde loc-identificatie en automatisch rijden.
Kanaal 2 — op verzoek van de centrale
Via kanaal 2 kan de centrale een specifieke decoder aanspreken en uitgebreidere data opvragen: de huidige rijsnelheid, de waarde van een CV (Configuration Variable) of andere statusinformatie. CV-uitlezing via RailCom is aanzienlijk sneller dan de traditionele service mode, waarbij de baan volledig stroomloos moet voor het uitlezen van één waarde. Kanaal 2 wordt gelezen door de globale detector.
Er zijn twee typen RailCom-detectors, die elk op een andere plek in het systeem zitten en andere data lezen:
Moderne blokdetectoren die bezetmelding combineren met RailCom bevatten doorgaans een lokale detector. Raadpleeg de gids terugmelding en bezetmelding voor een overzicht van terugmeldbussen en blokdetectie.
De volgende centrales genereren de RailCom-cutout (breed gedocumenteerd uit fabrikant-specificaties):
| Centrale | Cutout | Detector |
|---|---|---|
| Z21 zwart (Roco, art. 10820) | Ja | Globaal (ingebouwd) |
| ESU ECoS | Ja | Globaal (ingebouwd) |
| Lenz LZV (o.a. LZV200) | Ja — mede-ontwikkelaar | Globaal |
| DR5000 (Digikeijs) | Ja | Globaal |
| DCC-EX op ESP32 + EX8874 | Ja (v5.6.0) | Afhankelijk van externe detector-hardware |
RailCom-capable decoders — waaronder ESU LokPilot 5 en LokSound 5, Zimo MS- en MX-serie en de meeste moderne DCC-decoders — activeren RailCom doorgaans via CV29 bit 3. Controleer de handleiding van je decoder voor de exacte CV-instelling. De DCC-tools helpen bij CV-berekeningen.
RailComPlus is een uitbreiding op het basisprotocol, ontwikkeld door ESU en Lenz. Waar gewone RailCom het adres terugmeldt, gaat RailComPlus een stap verder: de decoder meldt zich automatisch aan bij de centrale met locnaam, functielijst en een door de centrale toegewezen adres. De gebruiker hoeft niets handmatig in te voeren — de loc verschijnt vanzelf zodra ze de baan oprijdt.
Centrales met RailComPlus-ondersteuning zijn de ESU ECoS en de Lenz LZV200 (en compatibele Lenz-systemen). Bij het voor het eerst oprijden van een loc herkent de centrale de decoder via de cutout, leest de locdata op via kanaal 2 en legt de loc automatisch vast. Niet elke decoder die gewone RailCom ondersteunt, ondersteunt ook RailComPlus — controleer de productspecificatie.
RailComPlus en mfx doen functioneel iets vergelijkbaars — een loc meldt zich automatisch aan bij de centrale met naam en functies — maar dat is waar de overeenkomst ophoudt. De onderliggende protocollen en ecosystemen zijn volledig verschillend:
Ze zijn niet uitwisselbaar: een loc met RailComPlus-decoder meldt zich niet automatisch aan bij een Märklin CS3; een mfx-decoder meldt zich niet aan via RailComPlus op een ECoS. Meer over de protocolkeuze: zie de gids DCC vs Motorola vs mfx.
ModelRailPro ontvangt locadresdata die via het Z21 LAN-protocol door de Z21 zwart wordt gerapporteerd. Weergave van gedetecteerde RailCom-adressen in de blokweergave van ModelRailPro: Op baan te bevestigen
Bij gebruik van de ESU ECoS (ECoS-status "test" in ModelRailPro) is verwerking van RailComPlus-aanmeldingen voorzien — locs die zich automatisch aanmelden kunnen dan als locprofiel worden aangemaakt: Op baan te bevestigen
Bij DCC-EX op ESP32 + EX8874 (v5.6.0) is de cutout-generatie bevestigd. De volledige adresdetectie-pipeline per blok in ModelRailPro is nog niet op echte hardware geverifieerd: Op baan te bevestigen
CV-waarden instellen of de RailCom-activering in CV29 berekenen? Gebruik de gratis DCC-tools. Centrale-specificaties vind je op de Z21 hardware-pagina en de Lenz hardware-pagina.