Wil je automatisch rijden of bloksturing, dan moet de software weten waar locs zich bevinden. Terugmelding overbrugt die informatiekloof: van eenvoudige stroomdetectie tot locidentificatie per blok via RailCom.
Een modelbaan bestuur je vanuit de app — maar de app weet van zichzelf niet waar een loc staat. Rijcommando's gaan van de centrale naar de loc; in de tegengestelde richting — van de baan naar de software — is standaard DCC unidirectioneel. Terugmelding vult dat gat. Zonder terugmelding kun je rijden en wissels bedienen, maar de software kan niet automatisch reageren op treinposities: geen bloksturing, geen automatisch rijden, geen botsingspreventie.
Er zijn twee fundamenteel verschillende methoden: stroomdetectie (is er iets in dit blok?) en RailCom (welk locadres is er in dit blok?). Beide kunnen naast elkaar bestaan op dezelfde baan — stroomdetectie regelt de bezetting, RailCom voegt de identiteit toe.
Stroomdetectie werkt op basis van een galvanisch geïsoleerd rijdeel (blok). Eén rail in het blok is onderbroken; de bezetmelder zit in die onderbroken verbinding. Zodra een loc of rijtuig de stroomkring sluit via de wielen, vloeit er een kleine stroom door de detectorkring. De bezetmelder herkent die stroom en meldt: dit blok is bezet.
Voordelen van stroomdetectie:
Beperking: alleen aanwezigheid, geen identiteit. De software weet dat blok 4 bezet is, maar niet door welke loc.
Weerstandsassen in wagons zorgen dat ook stilstaande, onverlichte wagons detecteerbaar zijn: elke as overbrugt de geïsoleerde rail via een kleine weerstand (typisch ~10 kΩ per as). Of de bezetmelder betrouwbaar reageert hangt af van de minimale rijdeellengte en de drempelspanning of -stroom van het specifieke modulemodel. Op baan te bevestigen
RailCom (NMRA S-9.3.2) gaat een stap verder: de loc stuurt zijn eigen adres terug via de rail. De centrale onderbreekt het DCC-signaal kort (de "cutout", maximaal ~500 µs) na elk pakket. Tijdens die onderbreking zenden decoders die RailCom ondersteunen hun adres terug. Lokale detectoren per blok lezen dit bericht (kanaal 1) en weten daardoor welke loc het blok binnenrijdt.
Dit maakt loctracking per blok mogelijk zonder aparte inductiesensors. RailCom vereist wel:
Meer over cutout-timing, kanaal 1 vs kanaal 2, RailComPlus en welke centrales dit ondersteunen: RailCom uitgelegd.
| Bus | Type | Max. inputs (typisch) | Connector | Centrale-ondersteuning |
|---|---|---|---|---|
| s88 / s88-N | Serieel, daisy-chain | onbeperkt (keten) | Flat/IDC (s88) of RJ45 (s88-N) | Märklin CS2/CS3, Lenz, Z21 (via CAN), DCC-EX (via shield) |
| R-BUS | Proprietary Roco/Z21 | 160 (10 × 16 ingangen) | RJ45 | Z21 zwart en wit |
| LocoNet | Multimaster-bus | zeer groot | RJ12 (6P6C) | Uhlenbrock, DR5000, Z21 zwart |
| CAN (Märklin) | CAN-bus over LAN | via Link s88 (60883) | RJ45 (LAN) | Märklin CS2, CS3 |
| XpressNet | Commandobus (beperkt) | beperkt | RJ12 | Lenz, Roco multiMaus |
s88 is de meest verspreide terugmeldbus in de hobbymarkt. De bus is serieel: een klokpuls (CLK) verschuift de bezettingsstatus van alle modules door naar de centrale. Elke module heeft 8 of 16 ingangen; modules zijn daisy-chain ketenbaar tot een groot aantal ingangen. De signaalvorm is eenvoudig en de techniek is al decennia stabiel.
s88-N is elektrisch en functioneel identiek aan s88, maar gebruikt een RJ45-connector in plaats van de oudere platte IDC-stekker. RJ45-kabels zijn goedkoop en overal verkrijgbaar. Let op: de pinout van s88-N wijkt af van die van een gewone netwerkkabel — gebruik geen standaard Ethernet-kabel als verlenging.
Märklin CS2 en CS3 gebruiken s88 via de Link s88 (artikelnummer 60883), die de s88-bus omzet naar het interne CAN-protocol van de centrale. Vanuit het oogpunt van de software ontvangt de CS2/CS3 s88-data via CAN en stuurt die door via CAN-over-LAN naar de app.
De R-BUS is Roco's eigen terugmeldbus, uitsluitend beschikbaar op de Z21-familie. R-BUS-modules (zoals art. 10787) worden via RJ45 op de Z21 aangesloten; maximaal tien modules per Z21 leveren 160 detectie-ingangen. Intern zet de Z21 de R-BUS-meldingen om naar Z21 LAN-protocol, zodat ModelRailPro ze ontvangt via de standaard Z21-koppeling zonder extra configuratie. Zie ook de Z21-hardware-pagina voor de actuele ModelRailPro-status.
LocoNet is een multimasterbus: elk apparaat op de bus kan berichten sturen zonder centrale arbitratie. Hierdoor is LocoNet geschikt voor zowel rijcommando's als terugmelding op één gedeelde bus. Terugmelders van Uhlenbrock (bv. 63320) en Digitrax (BDL168) sluiten direct aan op de LocoNet-kabel met RJ12-stekker.
De DR5000 heeft twee LocoNet-poorten: LocoNet B voor boosters en LocoNet T voor apparaten en terugmelders. De Z21 zwart (art. 10820) heeft eveneens een LocoNet-poort. Of LocoNet-terugmeldingen van de DR5000 via Z21-emulatie als blokbezetting in ModelRailPro verschijnen, is op baan te bevestigen. Op baan te bevestigen Meer over de DR5000: DR5000-hardware-pagina.
Märklin CS2 en CS3 communiceren intern via CAN-bus. s88-modules worden via de Link s88 (60883) op die CAN-bus aangesloten; de centrale verwerkt de bezettingsstatus en stuurt die door via het CAN-over-LAN-protocol naar verbonden apps. ModelRailPro koppelt aan de Märklin CS via dit LAN-protocol en ontvangt zo terugmeldingen zonder aparte configuratie per module.
XpressNet is primair een commandobus: hij verbindt handregelaars en bedieningspanelen met de Lenz-centrale (ook gebruikt door Roco multiMaus-systemen). Terugmelding via XpressNet is beperkt en niet het primaire doel van de bus. Voor serieuze bezetmelding in combinatie met een Lenz-centrale is s88 de aangewezen keuze.
Bij bloksturing wordt de baan opgedeeld in secties. Elke sectie heeft een geïsoleerde rail en een bezetmelder. De software volgt welke secties bezet zijn en stuurt rijcommando's op basis van die informatie: een trein in sectie 3 mag niet doorrijden als sectie 4 ook bezet is.
Stroomdetectie is hiervoor voldoende wanneer je weet welke loc in welk blok begint. RailCom voegt loctracking toe, zodat de software bijhoudt welk adres waar is — ook na een sessie-reset of met meerdere locs tegelijk op de baan. Vuistregel voor de baanindeling: definieer minimaal twee blokken per treinlengte om effectief te kunnen stoppen en wachten.
Voor volledig automatisch rijden heb je minimaal een bezetmelder per blok nodig. Hoe meer blokken je definieert, hoe nauwkeuriger de positiebepaling en hoe vloeiender het automatische rijgedrag. Een vergelijking van centrales met terugmeldondersteuning vind je op de Z21 vs ECoS-vergelijkingspagina.
ModelRailPro leest terugmeldingen via het protocol van de aangesloten centrale. Z21 LAN-protocol levert R-BUS- en CAN/s88-meldingen als genummerde sensor-events; je wijst die in de baanconfiguratie toe aan blokken. De Märklin-CS-koppeling ontvangt s88-meldingen via CAN-over-LAN op dezelfde manier. Zie de hardware-overzichtspagina voor de actuele compatibiliteitsstatus per centrale.